woensdag 10 februari 2016

Jeugdschaken in Nederland, wat kan er beter

Enige maanden geleden was er op het jeugdjournaal een item te zien over jeugdschaken. Het zou erg goed gaan en de leden zouden toestromen. Beelden waren opgenomen op een toernooi in Amsterdam.
Maar gaat het wel zo goed met het jeugdschaken in Nederland? Uiteraard zijn er vast regio’s of steden waar het jeugdschaken bloeit (naast Amsterdam hoor ik goede verhalen uit Rotterdam), maar in het algemeen gaat het niet best met het jeugdschaken in den lande. Het niveau in de breedte gaat op landelijke toernooien achteruit en ook het deelnemersaantal van bijvoorbeeld het NK rapid in Eindhoven en het ONJK in Borne is veel minder dan een aantal jaren geleden. Ik hoor vaak verhalen dat het moeilijker is dan voorheen om zelfs talentvolle jeugdschakertjes van de school naar een club te krijgen.
De KNSB was uiteraard blij met deze positieve aandacht, maar het jeugdjournaal had wel wat meer research mogen plegen.

Natuurlijk moeten de clubs op lokaal niveau zorgen voor aanwas van beginnende schakers en verzorgen van schoolschaaklessen alsmede het organiseren van een schoolschaakkampioenschap, iets waarvoor de KNSB ondersteuning kan verlenen. Over wat er zoal op dit gebied beter kan in de NOSBO zal ik in een andere column vermelden. Hieronder een aantal dingen die de laatste 10 jaar bij de KNSB en landelijke toernooien in negatieve zin zijn veranderd en enige mogelijke verbeterpunten.

Eerst een paar positieve punten. De KNSB heeft goed ingesprongen op de moderne tijd door internettoernooien en –trainingen aan te bieden. Ook de jeugdrating wordt vier keer per jaar vernieuwd. Daarnaast worden nog steeds veel landelijke toernooien en competities georganiseerd, meestal in samenwerking met lokale of regionale organisatoren.  Bovendien is men bezig chessity te promoten, waarbij online schaaklessen kunnen worden gevolgd. Helaas is de opzet daarvan heel anders dan de stappenmethode, wat nogal verwarrend werkt. Didactisch kan er nog heel wat verbeterd worden aan deze site.

Maar bij veel van die toernooien is, zoals gezegd, het kwalitatieve en kwantitatieve niveau van het deelnemersveld omlaag gegaan. Dat dit gedaald is, is min of meer logisch. Met minder jeugdschakers neemt het gemiddelde niveau af net als de deelnemersaantallen.
Toch valt er op veel toernooien nog wel iets te verbeteren.
De KNSB koos ervoor om blindelings mee te gaan met de trend door op het NK-rapid ook increament toe te passen. Omdat er dan elke ronde wel een of twee partijen langer duren dan 2 x 20 minuten, duurt elke ronde dus langer. Gevolg: voor veel spelers langere pauzes. Daarom werd het toernooi noodgedwongen ingekort met twee ronden. Hierdoor wordt de geluksfactor voor de ereplaatsen groter, veel kinderen die op een bekerplaats eindigen, hebben elkaar niet getroffen. Bovendien wordt de verhouding speel- versus reistijd in negatieve zin gewijzigd, voor spelers die van ver weg komen kan dit een reden zijn om niet meer mee te doen.
Na afloop van de prijsuitreiking, die weer verschrikkelijk lang duurde, waren er nauwelijks meer spelers in de speelzaal aanwezig. Alle overgebleven spelers hadden zo’n beetje een prijs en zaten op de trap te wachten op de slotfoto.
Dit kan een stuk sneller door alleen de kampioenen naar voren te roepen. De overige prijswinnaars kunnen op een centraal punt hun beker ophalen. En als de KNSB ook ophoudt met het uitreiken van onzinnige bekers voor meisjeskampioenen in categorieën waar heel weinig meisjes aan meedoen, zijn we ook geholpen. Ook jeugdschakers zijn niet dom en beseffen heus wel dat zo’n beker in de meeste gevallen niets voorstelt. Stimuleren van meisjesschaak moet niet op het hoogste podium gebeuren, maar onderin, op scholen, clubs en regionale toernooitjes.

Zowel bij het NK-schoolschaak als de jeugdclubcompetitie is er gekozen voor een Zwitsers systeem, waarbij iedereen meerdere malen een verre reis moet maken. Vaak doelloos, want als je team op de eerste dag meerdere malen verliest, strijd het verder nergens om. Gevolg: spelers zijn minder gemotiveerd, veel invallers zijn nodig en soms moet een team zich tijdelijk terug trekken.
Veel beter is het oude systeem van poule-knock out. Plaatst een team zich voor het NK en wordt het dan twee of drie keer verslagen, dan is men op waarde geklopt. Zo’n team hoeft niet nog 2-3 keer af te reizen voor een paar partijtjes om des keizers baard. Volgend seizoen een nieuwe kans.
Alleen voor de landelijke AB-competitie is Zwitsers wel geschikt. De meeste spelers hier hebben wel het niveau om langere partijen te spelen en bovendien is er een promotie/degradatie systeem waardoor ook zwakkere teams tot de laatste ronde wel iets hebben om tegen te strijden.

Iets wat helemaal overhoop is gehaald het laatste decennium, zijn de landelijke trainingen. Van oudsher was er een systeem van regionale trainingen voor diverse niveaus en leeftijden, terwijl de allersterksten en meest talentvolle jeugdspelers centraal in Utrecht getraind werden. Helaas ging de KNSB mee in het door de toenmalige talentcoach Yge Visser voorgestelde systeem van veel meer en duurdere trainingen in kleinere groepjes. Op zich niet verkeerd voor talenten om meer te trainen (dat werd inderdaad te weinig gedaan), maar door de snelheid en vaagheid waarmee de nieuwe plannen zouden moeten worden ingevoerd, was er geen draagvlak voor.
Gevolg was dat er veel meer spelers privé trainingen gingen regelen (dat op zich niet verkeerd is), en de KNSB het contact met de topspelers verloor. Ook wordt er nu niet meer geselecteerd. Iedereen met een iets meer dan beginnersniveau mag zich aanmelden voor de stertrainingen, ook spelers waarvan je weet dat er weinig potentie in zit.
De KNSB kent wel talentstatussen toe aan diverse spelers, dit naar rating en leeftijd, maar wat de spelers precies aan zo’n status hebben, is nauwelijks duidelijk. Pas op heel hoog niveau verzorgt de KNSB toptraingen.
Ik ben een voorstander van de terugkeer naar het oude systeem. Op regionaal niveau, of op subregionaal niveau (bij samenwerking van meerdere regionale bonden) worden spelers tot een jaar of 16 getraind. De regionale jeugdcommissie selecteert hiervoor spelers, na feedback met de clubtrainers en jeugdleiders.
Vanaf een jaar of 10 kunnen de grootste jeugdtalenten in aanmerking komen voor landelijke training. Spelers als Eelke de Boer of Jonas Hilwerda krijgen niets van de KNSB en moeten hun trainingen zelf regelen. Terwijl er vast een stuk of 10 spelers van hetzelfde niveau bij elkaar te brengen zijn die centraal getraind kunnen worden. Deze spelers hebben er meestal wel een langere reistijd voor over om met meer gelijkgestemden training te krijgen. Bij de meeste sporten is het gebruikelijk dat de meest talentvolle spelers samen trainen, dit werkt niveau verhogend.  Eventueel kan er dan nog een privé-trainer worden ingeschakeld voor meer individueel gebonden training (partij-analyse, openingsrepertoire).
Op oudere leeftijd is het vrijwel onmogelijk om nog trainingspartners in de eigen regio te vinden, dus is landelijke training noodzakelijk.
Daarnaast zou de KNSB met een groot aantal talenten kunnen afspreken om gezamenlijk een toernooi te spelen en dan zorgen voor begeleiding (zoals nu gebeurt bij het chessfestival in Groningen)
De KNSB kan dan met alle talenten afspreken dat in ruil voor trainingen op niveau, iedereen meedoet aan het NK-jeugd. Dit toernooi is de laatste jaren steeds zwakker geworden. Deels omdat de allerbeste spelers geen zin meer hebben om te spelen tegen zwakke broeders, deels omdat de kampioen niet meer uitgezonden wordt, tenzij hij/zij een torenhoge rating heeft.
Ook dat moet natuurlijk gewijzigd worden.
De stertrainingen worden dus alleen toegankelijk voor geselecteerde jeugdspelers en daardoor iets speciaals. Niet meer vrijheid – blijheid. Het stelt in deze vorm weer wat voor. Minder talentvolle jeugdspelers kunnen desgewenst door regionale bonden getraind worden.

De afgelopen maanden kwam ik regelmatig oproepen voor crowdfunding tegen om een reis naar een EK- of WK-jeugd mogelijk te maken. Een goed initiatief van veel spelers, want de KNSB is niet draagkrachtig genoeg om voor iedereen zo’n reis te betalen. Ik weet niet of de KNSB meegeholpen heeft of geadviseerd heeft om zoiets te doen, maar dat zou de bond wel sieren. Daarnaast zou de KNSB ook iemand in dienst moeten hebben die de talenten adviseert in het opzetten van een eigen website. Op zo’n site zouden dan toernooiverslagen kunnen komen, partijen, foto’s e.d. en natuurlijk worden sponsoren genoemd. Wellicht wordt het dan nog aantrekkelijker voor de supermarkt om de hoek en de lokale slager om iets te doneren.

De laatste jaren heeft de KNSB diverse lidmaatschappen ingevoerd. Zo zijn er speelZ-leden, schoolschaakleden en ratingleden. Erg goed, want voor de toekenning van subsidie kijkt het NOC/NSF niet naar soorten leden, maar naar het totale aantal. Helaas is er ook een regel die juist voorkomt dat spelers snel lid worden van de KNSB.
De KNSB heeft een aantal jaren geleden de regel ingesteld dat iedereen die aan een regionale voorronde van een nationaal kampioenschap meedoet, volwaardig KNSB moet zijn.  Dat is voor iets oudere jeugdspelers een normale zaak, maar voor de jongste categorieën zeker niet. Aan de regionale jeugdkampioenschappen in t/m 10 jaar en jonger deden vroeger veel schoolschakers mee. Als een van hen dan op een NK-plaats eindigde, werd zo’n jeugdspeler snel lid gemaakt van een club. Nu doen veel talentvolle spelertjes niet meer mee aan een regionaal PJK. Slecht voor zo’n toernooi en slecht voor de KNSB.

Maar misschien is het allerbelangrijkste knelpunt dat er geen landelijke jeugdcommissie is, een denktank die het bestuurslid jeugdzaken van advies kan voorzien. Vroeger bestond deze commissie uit mensen met diverse schaakachtergronden: trainers, jeugdleiders en een paar vertegenwoordigers van regionale bonden. Nieuwe ideeën werden in kleine kring voor besproken en gefinetuned. Vervolgens kregen op de landelijke jeugdleidersvergadering vertegenwoordigers van de regionale bonden kans om hierop te reageren. Helaas is deze commissie een jaar of zes geleden afgeschaft, onder het bewind van de vroegere bestuurslid jeugdzaken, Monique Stam. En ook de jeugdleidersvergadering komt minder frequent bijeen. De meeste jeugdzaken worden nu weer behandeld op de bondsraad, waar veel vertegenwoordigers zitten die weinig kaas van het jeugdschaak gegeten hebben.

Vroeger was niet alles beter, maar betere gestructureerde en democratische besluitvorming wel.










Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen